“Pap, wist je dat zo’n ding helemaal geen naam heeft?” vraagt mijn zoon. Nee, dat wist ik niet. Het lijkt me echter sterk dat een ding dat al zo lang bestaat en bij elke supermarkt in gebruik is, geen naam heeft.
“Weet je wat, zoon? Ik vraag het gewoon even.” Dat lijkt zoon geen goed idee, getuige zijn “Neehee, pap. Niet doehoen!”. Maar ja, je moet zo’n jongen toch wat leren. Dus vraag ik het, met een nu uit schaamte naar zijn schoenen starende zoon naast me, aan de caissière, tot wie ik dankzij haar naamspeldje persoonlijk het woord kan richten. “Ja Arlina, ik heb een bonuskaart, hoef geen koopzegels maar wel wil graag de gratis AH-muntenstickers. En, Arlina, ik heb ook een vraag aan jou: weet jij hoe zo’n ding heet?” Arlina blijkt het niet te weten.
“Weet je wat, zoon? We vragen het bij de Klantenservice.” Onderweg ernaartoe houdt zoon halverwege zijn pas in. Ik laat hem maar en stel mijn vraag aan de jongen van de Klantenservice. Die blijkt het ook niet te weten.
“Mag ik een suggestie doen, dan?” vraag ik en voeg meteen de daad bij mijn woord: “Wat vind je van bee-es-bee? Boodschappenscheidingsbordje dus?” Als de jongen van de Klantenservice mij met slechts vraagtekens in zijn ogen aankijkt, herhaal ik mijn geniale idee en vraag hem het door te geven aan het Hoofdkantoor. Daar blijkt de bedrijfsleider aan te pas te moeten komen. Aangezien ik op dreef ben, heb ik daar geen moeite mee. Terwijl ik verderop mijn zoon de andere kant op zie kijken, licht ik mijn inval toe aan de inmiddels aangetreden bedrijfsleider, die hetzij uit bewondering hetzij uit beleefdheid, aandachtig luistert en bevestigend knikt. Hij blijkt bereid het Hoofdkantoor te bellen.
Geduldig en enigszins verwachtingsvol aangaande de juichkreten die vanuit het Hoofdkantoor op zullen stijgen (Eindelijk, eindelijk, eindelijk een goed woord voor dat ding. Jippie!), wacht ik op de uitkomst van het gesprek.
“Meneer…”, richt de bedrijfsleider zich na het terugplaatsen van de telefoonhoorn tot mij. “Uhm, het spijt me, maaruh, het ding heeft al een naam: een beurtbalkje.”
De rest van de dag breng ik kniezend door. Zoon heeft zich op zijn kamer teruggetrokken. Beurtbalkje? Beurtbalkje?! Beurtbalkje?!?!?! Ik wil niet veel zeggen, maar dat lijkt mij toch eerder iets waarmee men in de prostitutiebranche de omzet bijhoudt.