Takken

Voor de tweede dag op rij schijnt de prille lentezon uitbundig. Het wordt zestien graden vandaag, heeft het weerbericht beloofd. Zo voelt het ook als ik halverwege de middag naar buiten stap voor een rondje met de hond. Zestien graden zonder wind. Dan kan het zonder jas. Ik richt mijn hoofd naar de zon en sluit mijn ogen. Niet slecht voor half maart. Het wordt een grote ronde.

Op de hoek van mijn straat zie ik een buurvrouw druk scharrelen in haar tuin, snoeischaar in de hand.Ik ken haar wel. Niet dat ik haar naam weet. Of iets over haar weet. Ik ken haar zoals je sommige buren kent. Je groet elkaar vriendelijk en af en toe maak je eens een praatje over het weer of een gebeurtenis in de buurt. Je weet welke auto er bij de buur hoort en hoe het gezin zo’n beetje is samengesteld.

‘Wat staat uw boom schitterend in bloei’, roep ik haar door de dunbebladerde heg toe. Want blijkbaar heeft de eerste verschijning van het voorjaar een positieve uitwerking op mijn stemming. De knallend witte bloesem steekt gevoelig af tegen de lenteblauwe lucht. ‘Ja, er moest weer nodig iets gebeuren in de tuin. Het groeit allemaal maar door he.’ Dat bevestig ik. Ze lijkt mijn compliment over haar boom niet goed verstaan te hebben. Misschien is haar gehoor niet meer zo accuraat. Ze is al best een stuk in de zeventig.

We kletsen over het weer, tuinen en de naar haar idee wel erg rigoureuze manier waarop de gemeente de begroeiing in het aangrenzende plantsoen heeft gekortwiekt. Ik herhaal mijn compliment over haar uitbundig bloeiende boom. ‘Hij is zo hoog he’, zegt ze. ‘Ik heb de brandweer eens gevraagd of ze er voor mij de pruimen uit willen halen. Maar dat deden ze niet. Ik zei nog dat ze er een leuke oefening van konden maken. Maar nee. Ze doen het niet. Het zijn van die droge pruimen. Kent u die? Daar kun je echt lekker dingen van maken.’ Dat geloof ik zonder meer. En ik maak aanstalten om mijn ronde met de hond voort te zetten. ‘Wilt u een paar takken?’, vraagt ze. Er klinkt veel enthousiasme door in haar stem. Dat maakt dat ik doe alsof ik heel blij zou zijn met haar takken. ‘Ik heb er al wat gesnoeid’, vervolgt ze. ‘En het is zo zonde om ze weg te gooien he? Ik leg ze wel aan het begin van de oprit. Dan kunt u ze zo meenemen. Als u terugkomt. U moet ze wel buiten zetten. Niet binnen. Dan gaat het fout.’

Wat er fout kan gaan, daar heb ik geen idee van. Ik ben niet zo goed in dat soort dingen. En takken in een vaas om de tuin op te vrolijken, dat is ook niet iets dat ik zelf zou bedenken. Maar ik zal mezelf vermannen.

Na mijn ronde neem ik de bos takken onder mijn linkerarm. Rechts heb ik immers de riem met de hond eraan. De buurvrouw is helemaal achter in de tuin. Te ver om haar te bedanken. Thuis kiep ik de aarde uit een hoge pot waarin vorige zomer vlijtige liesjes floreerden. De takken staan er mooi in. En stabiel. De pot komt op het witte tafeltje. Wit op wit, als de takken uitkomen. Ik denk aan het haar van de buurvrouw. Ook wit. Zouden de takken in het water moeten staan?

Advertenties

Klus

Ik kocht een kraan. Een prachtige aanbieding van de Aldi. Mijn douchekraan was namelijk dringend aan vervanging toe. Vol goede moed en gewapend met enig misplaatst zelfvertrouwen haalde ik mijn twee waterpomptangen tevoorschijn. Ik sloot de waterleiding af, nam de waterpomptang die mij het meest geschikt leek en haalde de oude kraan van de muur. Zie je wel, zo onhandig ben je helemaal niet, klonk het positieve stemmetje dat soms aanwezig is in mijn hoofd.

Nu het geloof in mijn kunnen door het eerste succes gegroeid was, nam ik metalen voorwerpen die ik in de verpakking van de nieuwe kraan aangetroffen had en die de verbinding moesten vormen tussen de kraan en de waterleidinguiteinden aan de muur. Ze bleken ruimschoots te klein, daarover kon geen misverstand bestaan! En er viel mij nog iets op: de genoemde verbindingsstukjes hadden een schroefdraad die je ergens ín zou moeten draaien, terwijl de waterleidinguiteinden aan de muur suggereerden dat er iets óm gedraaid zou moeten worden.

U begrijpt dat ik me door deze kleine tegenslag niet uit het klusveld liet slaan. Zodoende toog ik naar de sympathieke dierbenodigdheden- annex doe-het-zelfwinkel om de hoek. De hulpvaardige bediende zocht wat in laatjes, legde mij de door hem geselecteerde verbindingsstukjes ter goedkeuring voor en deed ze, na mijn ‘lijken me prima!’, in een klein papieren zakje waarop hij vervolgens de totaalprijs schreef: vijf euro achtenzestig.

Toen ik even later weer in de douchebak stond om de bemachtigde verbindingsstukjes om de waterleidinguiteinden te schroeven, wachtte mij een nieuwe tegenvaller. Ze hadden exact dezelfde maat als het waterleidinguiteinde, dus was er geen sprake van dat ik die dingen eróm zou kunnen draaien.

Ik zal u de details over mijn twee hierop volgende uitstapjes naar de dierbenodigdheden- annex doe-het-zelfwinkel besparen. U mag echter geloven dat mijn hoop op een goede afloop van het kraanvervangingsproject er niet groter op werd. Het draaide erop uit dat de winkelbediende constateerde dat het verbindingsstuk dat ik zocht niet in de winkel aanwezig was en evenmin besteld zou kunnen worden. Wat de winkelbediende mij adviseerde, vroeg ik op een toon waaruit te duidelijk bleek dat ik het stadium van wanhoop naderde. Hij adviseerde mij een bezoek te brengen aan een gespecialiseerde groothandel, enkele kilometers verderop.

Bij de gespecialiseerde groothandel werd ik al bij binnenkomst meewarig aangekeken. Ik begreep dat wel. Hier kwamen eigenlijk alleen gespecialiseerde loodgieters met twintig jaar ervaring die exact in de juiste termen wisten te benoemen wat ze nodig hadden voor een onderhanden klus. En daar stond ik. Het plastic AH-tasje, waarin ik de verwijderde kraan had gedaan om te kunnen tonen om wat voor aansluiting het ging, had ik al direct op de balie geplaatst. De baliemedewerker opende het tasje extreem voorzichtig, alsof hij vermoedde dat er een dode rat in zou kunnen zitten. Nadat hij had vastgesteld dat het slechts om een versleten kraan vol kalkaanslag ging en kennis genomen had van mijn behoefte aan passende verbindingsstukjes beende hij naar pad AB, ladenrek 12 en opende er diverse laatjes.

Hij kwam met lege handen terug. Riep er collega Piet bij. Of hij wel eens zo’n aansluiting had gezien. Dat had Piet niet. Bert, die er ook bij werd geroepen om dit bijzonders te aanschouwen en die de sanitairspecialist van de groothandel bleek te zijn, had in zijn hele leven ook nog niet iets dergelijks gezien. Wat de heren mij adviseerden, vroeg ik met zeer onzekere stem. Ik zou het beste kunnen proberen of de waterleidinguiteinden in de muur eraf konden. En dan moest ik maar eens zien wat er dan tevoorschijn kwam. Het zou dan wel kunnen zijn dat er tegels afgebikt zouden moeten worden en de hele muurplaat vervangen zou moeten worden. Het bestaan van een muurplaat was nieuw voor mij.

Gedesillusioneerd vertrok ik, inmiddels drie uur na aanvang van mijn werkzaamheden, huiswaarts. Met het kleine beetje energie dat mij nog restte, schroefde ik de oude kraan weer op de waterleidinguiteinden. Zowaar bleek dat geen ernstige lekkage te geven. Zo had ik toch niet iets om trots op te zijn.

 

Care

De acht bedden op de afdeling medium care staan met ongeveer een meter tussenruimte naast elkaar. Voor semi-privacy zijn er gordijnen tussen de bedden. De verpleegkundigen lijken hun glazen cabine, die nog het meest aan een verkeerstoren doet denken, slechts te verlaten als het echt niet te vermijden is. Ze staren naar beeldschermen en krabbelen dingen op papier. Ook is er een verpleegkundige die Candycrush speelt.

In het tweede bed, gezien vanuit het noorden, ligt een man die niet weet wat voor dag het is. Of wat voor jaar het is. Dat vragen de verpleegkundigen hem dagelijks. Het lukt hem nog niet een bij benadering correct antwoord te geven. De mist tussen zijn hersencellen is te dik.

De man in het tweede bed weet wel dat hij moet plassen. Maar volgens de verpleegkundige weet hij ook dat niet. “U heeft net nog geplast. Ik blijf niet aan de gang.” De sneer komt aan. Maar nog geen tien minuten later roept de man weer. Ik hoor zijn hoge nood in zijn overslaande stem.“Zuhuster, ik moet plahassen”. De verpleegkundige is onvermurwbaar. “Nu moet je ophouden. Ik heb al gezegd dat ik niet aan de gang blijf. Ga maar slapen en roep me niet de hele tijd.”

Na haar gedecideerde optreden trekt de verpleegkundige zich terug in de cabine. Al snel roept de man weer. Maar nu onhoorbaar voor de verpleegkundige.

De gang

Het is niet dat ik niet graag bij hem ben. Het is dat ik na enige tijd niet meer weet wat te zeggen, mij ongemakkelijk begin te voelen. Hij zegt immers niets terug. Beweegt niet. Zijn lijf ligt daar maar. Gevoed met kunstmatige adem, zout water en veertien medicijnen, die vanuit medicijndoseerkastjes via een labyrint van slangen zijn aderen bereiken.

Wat er gebeurd is, vertel ik hem. Dat hij een ongeluk heeft gehad. Een stom ongeluk. Dat het goed komt, dat zeg ik vaak. En dat ik veel van hem houd. Af en toe laat ik muziek klinken, zijn muziek. Ik omvat zijn hand met de mijne en voel zijn warmte, voel hem. Hij is er nog. Iets van hem dan toch.

Veel te vaak klinkt er een aanhoudend gepiep, door merg en been. Een medicijnkastje raakt leeg. Of zijn bloeddruk is te hoog. Of zijn hartslag, zijn temperatuur. Iets is niet goed. Het alarm komt ook binnen op de pieper van de verantwoordelijke verpleegkundige, weet ik na enkele dagen. Die kan trouwens niet alleen horen, maar ook zien dat ze onmiddellijk in actie moet komen omdat het zijden draadje waaraan het leven van mijn zoon hangt het dreigt te begeven. Bij elk alarm gaat namelijk de rode lamp boven zijn deur branden. Mijn paniek neemt exponentieel toe naarmate de verpleegkundige langer op zich laat wachten. Ook dat draagt eraan bij dat mijn uithoudingsvermogen aan zijn bed begrensd is.

Als het meer dan genoeg is geweest, kondig ik mijn vertrek aan. Papa gaat even koffie drinken, komt zo weer terug. Na een laatste blik op de grillige grafieken op de monitor naast zijn bed, verlaat ik zijn kamer. Rechtsaf de gang in, langs de tafel waar de verpleegkundigen hun overleggen en koffiepauzes houden. Langs de andere kamers met in levensnood verkerende patiënten. Langs de kamertjes waar artsen familieleden professioneel bijpraten over de levenskansen van hun dierbare. Pas voorbij het kruispunt van twee gangen, wordt de atmosfeer minder bedrukt. Vanaf daar hoor je de stemmen van de families, in gezelschap elkaars zware tijd dodend. Zelf doen we niet anders. Tot het schuldgevoel weer komt, dat ik niet bij hem ben. Tot ik het schuldgevoel niet meer kan onderdrukken met de realiteit dat ik aan de rand van zijn bed evenmin van betekenis voor hem kan zijn.

De gang naar hem tóe, een lijdensweg. Vertwijfeld over hoe ik hem aan zal treffen. Gedachten over de taferelen om de hoek. Verpleegkundigen doen verwoed maar tegen beter weten in pogingen hem in leven te houden. Het grote raam van zijn kamer verduisterd omdat het maar beter is dat niemand hem zo ziet. Onwillekeurig vertraagt mijn pas. Verderop, de hoek naderend waar ik linksaf zal slaan en zijn kamer in zicht komt, verbijt ik me. Recht mijn rug en loop stevig door. Laat niet merken dat ik de gezichten van de voorbij lopende verpleegkundigen controleer op tekenen van verslagenheid.

En dan de opluchting, als ik zijn kamer weer betreed. Hij is er nog. Net zo min of meer levend als toen ik hem alleen liet. Papa is er weer. Je hebt een ongeluk gehad. Een stom ongeluk. Maar het komt goed. Zeker weten, man.

 

 

Wildgroei

Het duurde even voor ik doorhad welke handelingen de man in zijn voortuintje verrichtte. Zodoende hield ik halt en begroette ik hem. Hij beantwoordde mijn groet zonder dit ten koste te laten gaan van zijn uiterste concentratie. Die was erop gericht, zag ik nu, om met touwtjes houtblokken aan de takjes van het boompje te hangen. Toen hij even later–na zorgvuldig een blok uitgebalanceerd te hebben–  opkeek, reageerde hij op mijn vragende blik met de mededeling dat het hier een jong perenboompje betrof. Ik trok mijn wenkbrauwen op, om mijn blik nog vragender te maken. Hij moet dat gezien hebben, want terstond vervolgde hij zijn uitleg. “Het boompje gaat te veel omhoog. Dat wil ik niet. De takken moeten meer in de breedte groeien.”

Nadat ik hem, mijn blik nu op verwonderd, succes en een prettige dag had gewenst, vervolgde ik peinzend mijn ronde met de hond. Ik dacht aan het boompje, dat met alle ledematen naar de zon wilde reiken. En daarin, vergeef me de eigenlijk onbedoelde woordspeling, gedwarsboomd wordt door de man die hem nog niet zo lang geleden liefdevol uit het tuincentrum had bevrijd. Ik bedacht hoe het zou voelen als ik mijn armen ten hemel zou willen heffen en daarin belemmerd zou worden door aan mijn polsen geknoopte gewichten.

Voortwandelend dacht ik aan slotjesbeugels, flapoorstickers en Chinese voetinbindingen. Daarna aan hypotheeklasten, schooltijden, carrièrepaden en parkeerverordeningen. Eenmaal thuis bleef het woord ‘keurslijf’ nog enkele uren in mijn hoofd  bewegen. Het leidde ertoe dat ik mijn negatieve associaties bij het woord ‘wildgroei’ verving door positieve.

Vroooam

borduurringMijn WordFeud-tegenstander legde ‘afbiezen’. Daar kwam het door. Dat ik aan een naaimachine moest denken. En aan dit tafereeltje uit mijn kindertijd.

Het is winter. Of herfst. De dagen zijn in elk geval kort, het is vroeg donker. Bij het gelig licht van een wandlamp herstelt mijn moeder een kledingstuk. Spelden tussen haar lippen geklemd, haar neus bijna op het naaiwerk gedrukt. Ze draagt een nylon schort. Ik mag daar graag tegenaan schurken om haar warmte te voelen. Dan kruip ik tussen de leuning van de stoel en de rug van mijn moeder. Maar nu niet.

De klep van de houten bank waar zojuist de naaimachine nog in opgeborgen was, staat open. Ik pas er precies in, zittend. Er is genoeg ruimte om mijn benen te strekken, tot waar de denkbeeldige pedalen zitten.

In de bank ligt een zilvergrijs metalen doosje met wat naaigerei en een houten latje dat in een cirkelvorm gebogen is. Het dient om een borduurwerkje op te spannen. Maar dat weet ik nog niet, het doet er ook niet toe. Het latje is mijn stuur, het doosje mijn pedaal. Met een schuine blik kijk ik onder tafel. Mijn moeder heeft een echt gaspedaal.

Plotseling snort de naaimachine. De motor is gestart! Ik druk met mijn voet het pedaal bijna door het tussenwandje van de bank. Het gas gaat open. Ik moet snel vaart maken. Joepie! Ik hang schuin, mijn armen gestrekt omhoog, krampachtig sturend om niet uit de bocht te vliegen.

Hoe ik erin trapte

duitse_biefstukRegelmatig overkomt mij iets waarvan ik vrijwel zeker weet dat het niemand anders overkomt. Noem het bijzonder. Noem het lot. Noem het onhandigheid.

We zouden Duitse biefstukken eten. Met broccoli en naar keuze gebakken of gekookte aardappeltjes. Vier pannen: multitasken geblazen.

Duitse biefstukken zijn eigenlijk gewoon tartaartjes. Als ik tartaartjes uit de verpakking heb gehaald, sla ik ze altijd iets platter. Omdat ze dan groter lijken en eerder gaar zijn. Bovendien vind ik het een aangename sensatie, tartaartjes platslaan. Ook de bewuste Duitse biefstukken (vier stuks) sloeg ik dus plat. Ik maakte er een stapeltje van. Waarom ik dat deed, is ook mijzelf een raadsel. Feit is wel dat de Duitse biefstukken op hun beurt moest wachten. De boter die inmiddels in een pannetje op het vuur lag te verhitten, had nog niet de gewenste bruine kleur.

Enfin. Terwijl de boter bruinde, nam ik voor het bereiden van de broccoli een pan uit de keukenlade linksonder.  Daarbij moet ik een onverhoedse beweging gemaakt hebben. Dat concludeer ik uit het feit dat ik een geluid hoorde dat zich fonetisch het best laat aanduiden met ‘pflaf’. Terwijl mijn hersenen de herkomst van dit geluid nog aan het onderzoeken waren, zag ik dat het duitsebiefstukkentorentje niet meer op het aanrecht lag en voelde ik een zachte substantie onder de zool van mijn schoenen met dat diepe profiel.