Wildgroei

Het duurde even voor ik doorhad welke handelingen de man in zijn voortuintje verrichtte. Zodoende hield ik halt en begroette ik hem. Hij beantwoordde mijn groet zonder dit ten koste te laten gaan van zijn uiterste concentratie. Die was erop gericht, zag ik nu, om met touwtjes houtblokken aan de takjes van het boompje te hangen. Toen hij even later–na zorgvuldig een blok uitgebalanceerd te hebben–  opkeek, reageerde hij op mijn vragende blik met de mededeling dat het hier een jong perenboompje betrof. Ik trok mijn wenkbrauwen op, om mijn blik nog vragender te maken. Hij moet dat gezien hebben, want terstond vervolgde hij zijn uitleg. “Het boompje gaat te veel omhoog. Dat wil ik niet. De takken moeten meer in de breedte groeien.”

Nadat ik hem, mijn blik nu op verwonderd, succes en een prettige dag had gewenst, vervolgde ik peinzend mijn ronde met de hond. Ik dacht aan het boompje, dat met alle ledematen naar de zon wilde reiken. En daarin, vergeef me de eigenlijk onbedoelde woordspeling, gedwarsboomd wordt door de man die hem nog niet zo lang geleden liefdevol uit het tuincentrum had bevrijd. Ik bedacht hoe het zou voelen als ik mijn armen ten hemel zou willen heffen en daarin belemmerd zou worden door aan mijn polsen geknoopte gewichten.

Voortwandelend dacht ik aan slotjesbeugels, flapoorstickers en Chinese voetinbindingen. Daarna aan hypotheeklasten, schooltijden, carrièrepaden en parkeerverordeningen. Eenmaal thuis bleef het woord ‘keurslijf’ nog enkele uren in mijn hoofd  bewegen. Het leidde ertoe dat ik mijn negatieve associaties bij het woord ‘wildgroei’ verving door positieve.

Vroooam

borduurringMijn WordFeud-tegenstander legde ‘afbiezen’. Daar kwam het door. Dat ik aan een naaimachine moest denken. En aan dit tafereeltje uit mijn kindertijd.

Het is winter. Of herfst. De dagen zijn in elk geval kort, het is vroeg donker. Bij het gelig licht van een wandlamp herstelt mijn moeder een kledingstuk. Spelden tussen haar lippen geklemd, haar neus bijna op het naaiwerk gedrukt. Ze draagt een nylon schort. Ik mag daar graag tegenaan schurken om haar warmte te voelen. Dan kruip ik tussen de leuning van de stoel en de rug van mijn moeder. Maar nu niet.

De klep van de houten bank waar zojuist de naaimachine nog in opgeborgen was, staat open. Ik pas er precies in, zittend. Er is genoeg ruimte om mijn benen te strekken, tot waar de denkbeeldige pedalen zitten.

In de bank ligt een zilvergrijs metalen doosje met wat naaigerei en een houten latje dat in een cirkelvorm gebogen is. Het dient om een borduurwerkje op te spannen. Maar dat weet ik nog niet, het doet er ook niet toe. Het latje is mijn stuur, het doosje mijn pedaal. Met een schuine blik kijk ik onder tafel. Mijn moeder heeft een echt gaspedaal.

Plotseling snort de naaimachine. De motor is gestart! Ik druk met mijn voet het pedaal bijna door het tussenwandje van de bank. Het gas gaat open. Ik moet snel vaart maken. Joepie! Ik hang schuin, mijn armen gestrekt omhoog, krampachtig sturend om niet uit de bocht te vliegen.

Hoe ik erin trapte

duitse_biefstukRegelmatig overkomt mij iets waarvan ik vrijwel zeker weet dat het niemand anders overkomt. Noem het bijzonder. Noem het lot. Noem het onhandigheid.

We zouden Duitse biefstukken eten. Met broccoli en naar keuze gebakken of gekookte aardappeltjes. Vier pannen: multitasken geblazen.

Duitse biefstukken zijn eigenlijk gewoon tartaartjes. Als ik tartaartjes uit de verpakking heb gehaald, sla ik ze altijd iets platter. Omdat ze dan groter lijken en eerder gaar zijn. Bovendien vind ik het een aangename sensatie, tartaartjes platslaan. Ook de bewuste Duitse biefstukken (vier stuks) sloeg ik dus plat. Ik maakte er een stapeltje van. Waarom ik dat deed, is ook mijzelf een raadsel. Feit is wel dat de Duitse biefstukken op hun beurt moest wachten. De boter die inmiddels in een pannetje op het vuur lag te verhitten, had nog niet de gewenste bruine kleur.

Enfin. Terwijl de boter bruinde, nam ik voor het bereiden van de broccoli een pan uit de keukenlade linksonder.  Daarbij moet ik een onverhoedse beweging gemaakt hebben. Dat concludeer ik uit het feit dat ik een geluid hoorde dat zich fonetisch het best laat aanduiden met ‘pflaf’. Terwijl mijn hersenen de herkomst van dit geluid nog aan het onderzoeken waren, zag ik dat het duitsebiefstukkentorentje niet meer op het aanrecht lag en voelde ik een zachte substantie onder de zool van mijn schoenen met dat diepe profiel.

Cool

Mijn zoon is 19 en cool. Hij is in het bezit van de nieuwste iPhone inclusief alle communicatiemogelijkheden ervan. Toch laat hij mij niet direct weten of hij geslaagd is voor zijn rij-examen. Want hij is 19 en cool.

Zijn vader is ouder en minder cool. Ik ben in het bezit van een iets ouder model iPhone inclusief  veel communicatiemogelijkheden. Dus focust mijn oor op een eventueel bliepje, mijn oog op een eventueel oplichtend scherm – vanaf het tijdstip dat hij zijn examen volgens mijn berekening afgerond heeft. Want ik ben ouder en minder cool.

Er bliept echter niets. Evenmin licht er iets op. Elke vorm van communicatie blijft uit.

Dan zie ik vanuit het raam van mijn werkkamertje een auto voorrijden. Mijn zoon en zijn rij-instructrice stappen uit. De rij-instructrice richt het woord tot mijn zoon. En dan zoent ze hem.

Goed gesprek

Hey pa. Het duurt tot vier uur, maar ik zie wel even ja?

Komen er ook meisjes op dat feest?
Ik hoop van wel.

Wat doe je dan op zo’n feest?
Gewoon. Beetje dansen en zo.

Uhm. Jah. Je bent al een grote jongen he.
Ja man.

Wat ik daarom nog even wil zeggen.
Ja?

Je weet waar die dingen liggen in het badkamerkastje toch?
Wat? Ow, dat. Ja. Ja, man.

Want ja, je wilt geen ziekte oplopen of al vader worden toch?
Ik ga. Latuhrz!

Mwah

Zojuist heb ik me gerealiseerd dat mijn zoon iets eerder dan ik van huis is vertrokken. Dat plaatst het tafereel dat ik net passeerde in een veel persoonlijker perspectief: een fietspad, een auto die daar niet hoort te staan, een ambulance, broeders over iemand heen gebogen.

Op de rotonde stuur ik mijn auto linksomkeert. Met verhoogde hartslag en waarschijnlijk een gespannen gezichtsuitdrukking. Langzaam passeer ik de plek opnieuw. Ik kijk of ik kan zien wat ik niet wil zien. Ik kan het zien. Ik zie een jongen die ik niet wil zien. Roerloos op de grond. Hij heeft een helm op.

Vol van gemengde gevoelens keer ik om en vervolg ik mijn weg. Mijn zoon heeft geen brommer. En geen helm. Een geluk bij een ongeluk, zou u kunnen zeggen. Mwah.

Vader en zoon

UnknownDe foto van de vader op de foto (links) is rond 1958 gemaakt. De foto van de zoon is vorig jaar gemaakt.

Ze zeggen dat ik op mijn vader lijk. Ook in mijn doen en laten. Helaas was er geen gelegenheid om dat laatste zelf te ervaren.

Het lot kan wreed zijn.